Succesverhalen

Componence Asset List

Link naar document: schadevergoeding Wvggz
Datum uitspraak: 5 juni 2020
Rechtbank: Zeeland- West- Brabant

Korte toelichting klacht en uitspraak: verzoek tot vernietiging beslissingen klachtencommissie tegen ongegrond verklaren van klacht dat noodinsluiting niet gemotiveerd op schrift is gesteld, de advocaat van betrokkene niet op de hoogte is gesteld van de insluiting en dat de insluiting langer dan de toegestane 3 dagen heeft plaatsgevonden. Na drie dagen is geen nieuwe CM aangevraagd, maar is tijdelijke zorg in noodsituaties nogmaals toegepast. Rechtbank verklaart klachten gegrond. Voor de dag insluiting zonder wettelijke grondslag wordt een schadevergoeding van 75 euro toegekend. 
 

Toelichting klacht:  beroep tegen beslissingen klachtencommissie die alle klachten van betrokkene ongegrond had verklaard. 

Betrokkene beklaagt zich over het feit dat bij de genomen beslissing tot insluiting de daarvoor geldende informatieverplichtingen niet zijn nagekomen. Gebleken is namelijk dat de beslissing tot insluiting niet gemotiveerd op schrift is gesteld, zoals artikel 8:13 lid 1 Wvggz vereist en aan verzoeker geen beschikking ex artikel 8:13 lid 3 Wvggz is uitgereikt en ook de advocaat van verzoeker niet in kennis is gesteld van de beslissing tot het verlenen van tijdelijke verplichte zorg in een noodsituatie.

Wat betreft klacht van betrokkene dat de insluiting langer dan de maximaal toegestane drie dagen heeft geduurd: door behandelaren is als juist erkend dat de huidige wet de mogelijkheid van verlenging van de tijdelijke verplichte zorg in noodsituaties bij een (voortgezette) crisismaatregel (waarin de betreffende vorm van verplichte zorg niet is opgenomen) niet geeft. Behandelaren hebben er echter op gewezen dat dit een leemte is in de wet, waarvoor een (spoed)wetsvoorstel is ingediend. Behandelaren hebben tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij geen nieuwe crisismaatregel hebben aangevraagd omdat dan de hele procedure opnieuw zou moeten worden doorlopen. In plaats daarvan hebben zij gekozen om - in navolging van de onder de BOPZ ontstane praktijk rond het gebruik van artikel 39 Wet BOPZ - artikel 8:11 Wvggz nog een keer toe te passen. Behandelaren stellen dat zij bij hun handelen het belang van de zorg voor de patiënt en de veiligheid van patiënt en zorgverleners voorop hebben gesteld.

Uitspraak: de rechtbank stelt vast dat de klacht tegen de insluiting in de separeer op een tweetal gronden, namelijk schending van de informatieverplichtingen en onrechtmatige verlenging van de insluiting gegrond is.

Wat betreft klacht tegen de duur van de insluiting: 
de rechtbank is bekend met het spoedreparatiewetsvoorstel en de daarin opgenomen mogelijkheid tot wijziging van de (voortzetting van de) crisismaatregel ter aanvulling met later (in verband met een ontstane noodsituatie) noodzakelijk geachte verplichte zorg. Met dat wetsvoorstel heeft de wetgever duidelijk gemaakt dat ook hij meent dat er sprake is van een leemte in de wet. Dat neemt echter niet weg dat de weg die de behandelaars in onderhavige zaak hebben gekozen, niet die is, die in de reparatiewet wordt voorgesteld, en evenmin de weg, die de praktijk inmiddels had gevonden voor de tijd, dat de reparatiewet nog niet in werking is. De weg die de behandelaars – ter voorkoming van veel bureaucratie – hebben gekozen, is er één die in strijd is met de wet. Immers, de wet geeft uitdrukkelijk aan dat tijdelijke verplichte zorg in noodsituaties niet langer mag duren dan 3 dagen, en dat wanneer die zorg wel langer noodzakelijk is, zij slechts kan worden gegeven binnen een daartoe verstrekte rechterlijke machtiging. Nu die machtiging er voor de insluiting vanaf 9 maart 2020 niet was en de maximale termijn van drie dagen op dat moment was verlopen, moet worden geconcludeerd dat de insluiting als verplichte zorg in een noodsituatie langer heeft geduurd dan de wet (artikel 8:12 lid 1 Wvggz) toelaat. Conclusie is derhalve dat na 9 maart 2020 er voor de insluiting geen wettelijke grondslag meer was en dat deze daardoor onrechtmatig was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het klachtonderdeel dat zich tegen de verlenging van de insluiting richt gerond is.

Wat betreft de schadevergoeding:  
Namens betrokkene is gesteld dat voor het begroten van de schade aansluiting moet worden gezocht bij de - forfaitaire - bedragen zoals genoemd in het onderzoeksrapport van de Universiteit van Amsterdam: “Schadevergoeding vragen aan een klachtencommissie als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; wat is billijk?”. De rechtbank geen aanleiding om voor de begroting van de schade aan te sluiten bij het forfaitaire stelsel uit het hiervoor genoemde onderzoeksrapport, nu dit (nog) niet kan rekenen op een brede acceptatie van schade begroten. Artikel 10:11 lid 4 Wvggz bepaalt dat de rechter een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toekent. Bij de bepaling van de schade neemt de rechtbank in aanmerking dat verzoeker blijkens de op 21 februari 2020 verleende machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel gedurende de periode waarin hij onrechtmatig was ingesloten, al wel rechtmatig in een aantal vrijheden was beperkt. Onder meer was hij verplicht opgenomen in de instelling. In plaats van te verblijven op een (gesloten) afdeling van de afdeling heeft hij vier dagen in de separeer verbleven. De rechtbank oordeelt – al het voorgaand afwegend – een vergoeding ten bedrage van € 75,-- redelijk en billijk. Ten aanzien van de schending van de informatieverplichtingen van artikel 8:13 Wvggz
overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel de hier relevante bepalingen van de Wvggz niet in acht zijn genomen, is de rechtbank onvoldoende gebleken dat verzoeker als gevolg van deze procedurele fouten is benadeeld. Verzoeker was ondanks het ontbreken van een schriftelijk besluit wel van de beslissing op de hoogte en kende – nu hij zich daadwerkelijk daarover bij de klachtencommissie heeft beklaagd – ook zijn rechten. Ondanks schending van de informatieverplichtingen is verzoeker ook niet verstoken gebleven van rechtsbijstand. Bovendien, ook als de juiste formaliteiten waren betracht, was verzoeker gezien de noodsituatie ingesloten geweest. De mogelijk door de insluiting zelf geleden schade kan niet worden gezien als causaal in verband te staan met de gemaakte fouten in de informatieverplichtingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoeker materieel niet in een andere situatie is komen te verkeren dan wanneer de bedoelde bepalingen juist zouden zijn nageleefd. Voor toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding in verband met de schending van de hier bedoelde verplichtingen is derhalve geen plaats.   

Toelichting wijziging CM: vanaf 29 oktober 2020 is de wetstekst van de Wvggz veranderd waardoor wijziging van de voortgezette CM volgens dezelfde procedure als voor de ZM mogelijk is (artikel 8:12 Wvggz).