Succesverhalen

Componence Asset List

Link naar document: 
ECLI:NL:HR:2020:1509

Datum uitspraak: 25 september 2020
Rechtbank: Hoge Raad

Korte toelichting klacht en uitspraak: de Hoge Raad verwerpt het beroep tegen de uitspraak van de rechtbank die een voortgezette CM heeft verleend. Dit ondanks betrokkene niet is gezien door de onafhankelijk psychiater bij zijn onderzoek voor de medische verklaring (MV) en er geen fysieke zitting heeft plaatsgevonden. Beiden hebben telefonisch plaatsgevonden. Onder omstandigheden (zoals COVID-19) is het onderzoek MV en de zitting van de rechtbank over verzoek machtiging verplichte zorg dus telefonisch mogelijk.

 

Toelichting klacht:
Klacht in beroep (cassatie) tegen verlening VCM door rechtbank terwijl de onafhankelijk psychiater de MV had opgesteld zonder betrokkene te zien en via een telefonische beoordeling omdat geen fysieke beoordeling mogelijk was in verband met Covid-19 en beeldbellen niet mogelijk was omdat de kliniek waarin betrokkene was opgenomen niet over de benodigde techniek beschikte. Ook heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden, maar heeft de rechtbank de VCM verleend na telefonisch horen. Onderdeel 1 van het beroep is dan ook gericht tegen klaagt het oordeel van de rechtbank dat betrokkene op geen enkele wijze in haar belangen is geschaad doordat de onafhankelijke psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld haar slechts telefonisch heeft gesproken en beoordeeld. Het oordeel van de rechtbank is volgens het beroep in strijd met art. 7:1 lid 3, aanhef en onder a, Wvggz en art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM, nu geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden en geen enkele geldige reden is aangevoerd voor het nalaten daarvan. Het tweede onderdeel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Het klaagt onder meer dat betrokkene slechts de mogelijkheid werd geboden om telefonisch te worden gehoord en niet in persoon of via beeld. Dit is volgens het onderdeel in strijd met art. 5 EVRM.

Uitspraak rechter:
De hoge Raad verwerpt het beroep tegen de beschikking van de rechtbank:

Wat betreft telefonisch horen onafhankelijk psychiater bij MV: 
In het kader van de Wet Bopz, die tot 1 januari 2020 van kracht was, heeft de Hoge Raad, mede tegen de achtergrond van de rechtspraak hierover van het EHRM, in een reeks uitspraken geoordeeld dat de psychiater de betrokkene met het oog op de door hem af te geven geneeskundige verklaring – behoudens in noodsituaties – persoonlijk dient te onderzoeken, dat wil zeggen dat hij de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Voorts houdt deze rechtspraak in dat, indien een persoonlijk onderzoek niet mogelijk is, de psychiater in zijn verklaring dient te verantwoorden waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van verkregen informatie van derden, niettemin tot de conclusie komt dat ten aanzien van de betrokkene is voldaan aan de wettelijke vereisten voor gedwongen opneming De hiervoor genoemde rechtspraak heeft onder de Wvggz zijn betekenis behouden. Dat betekent dat de psychiater het in die wet voor de diverse vormen van verplichte zorg voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus dient te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een weigering van de betrokkene om aan een onderzoek mee te werken, maar ook andere omstandigheden kunnen meebrengen dat onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet of slechts beperkt mogelijk is. In die gevallen zal, met het oog op de beoogde maatregel, steeds op de best mogelijke manier moeten worden getracht inzicht te verkrijgen in de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde maatregel. 

In verband met de uitbraak van COVID-19 zijn in maart 2020 in het belang van de volksgezondheid van overheidswege ingrijpende maatregelen getroffen, die de mogelijkheid van aanwezigheid van personen in elkaars nabijheid sterk hebben beperkt Bedoelde maatregelen kunnen meebrengen dat een onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene door de psychiater die de medische verklaring dient op te stellen, redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord is. In dat geval zal moeten worden gekozen voor een alternatief voor persoonlijk contact dat in de gegeven omstandigheden wel mogelijk is en dat zo veel mogelijk recht doet aan de belangen van de betrokkene. Daarbij verdient contact door middel van een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding de voorkeur boven uitsluitend een tweezijdige geluidsverbinding. De psychiater zal in zijn medische verklaring moeten verantwoorden waarom onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord is, voor welk alternatief hij heeft gekozen, en op welke gronden hij tot de slotsom is gekomen dat aan de vereisten voor verlening van verplichte zorg is voldaan. De rechtbank zal vervolgens moeten beoordelen of de verzochte machtiging op grond van de medische verklaring kan worden verleend. Daarbij kan een rol spelen dat ten aanzien van de betrokkene sprake is van een crisissituatie, die – in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf – zo spoedig mogelijk moet worden beëindigd. 

In het licht van het voorgaande heeft de rechtbank tot het oordeel kunnen komen dat het onderzoek dat de psychiater heeft verricht in de omstandigheden van dit geval toereikend was, ook tegen de achtergrond van de waarborgen van art. 5 EVRM. Uit de medische verklaring blijkt dat dat onderzoek diende plaats te vinden kort nadat de hiervoor in 3.1.5 bedoelde maatregelen zijn getroffen en dat de psychiater onderzoek in fysieke aanwezigheid van betrokkene in verband met de uitbraak van COVID-19 redelijkerwijs niet verantwoord en dus niet mogelijk heeft geacht. Daarnaast blijkt uit de medische verklaring dat beeldbellen in de betrokken accommodatie in die periode nog niet mogelijk was. Voorts blijkt daaruit dat de psychiater, mede op grond van de tijdens het telefonische contact met betrokkene verkregen informatie, voldoende inzicht heeft kunnen verkrijgen in de actuele gezondheidstoestand van betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde crisismaatregel. De klacht is dan ook ongegrond.  

Wat betreft de klacht tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Het klaagt onder meer dat betrokkene slechts de mogelijkheid werd geboden om telefonisch te worden gehoord en niet in persoon of via beeld. Dit is volgens het onderdeel in strijd met art. 5 EVRM. Art. 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid bepaalt: “Indien in verband met de uitbraak van COVID-19 in burgerlijke en bestuursrechtelijke gerechtelijke procedures het houden van een fysieke zitting niet mogelijk is, kan de mondelinge behandeling plaatsvinden door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.” De wet is in werking getreden op 24 april 2020. Aan art. 2 is terugwerkende kracht verleend tot en met 16 maart 2020. De mondelinge behandeling in deze zaak vond plaats op 30 maart 2020. De keuze van de rechtbank om de zitting telefonisch te houden heeft dus een wettelijke basis gekregen. In haar beschikking ligt voorts besloten dat het houden van een mondelinge behandeling in fysieke aanwezigheid van de daarbij betrokkenen niet verantwoord was en dat een telefonische behandeling op dat moment de enige beschikbare mogelijkheid was. Uit rechtspraak EVRM blijkt dat fysieke aanwezigheid van een verdachte op de zitting wel uitgangspunt, maar geen absoluut vereiste is. Daarbij speelt de aard van de procedure een rol. Deelname van een verdachte aan het proces op een andere wijze dan door fysieke aanwezigheid moet een legitiem doel dienen, bijvoorbeeld het waarborgen van de veiligheid van anderen, en dient – blijkens de door de rechter te geven motivering – gerechtvaardigd te worden door de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Steeds dient te worden gewaarborgd dat wordt voldaan aan de eisen van art. 6 EVRM (eerlijk proces).