
Traumatherapie vermindert PTSS-klachten ook bij mensen met psychose
Mensen met psychose en een posttraumatische stressstoornis (PTSS) kunnen succesvol behandeld worden voor hun trauma's. Dat blijkt uit een grootschalig onderzoek van Parnassia Groep en de Vrije Universiteit Amsterdam onder leiding van klinisch psycholoog en bijzonder hoogleraar David van den Berg.
Mensen met psychose hebben vaak ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Die ervaringen kunnen leiden tot PTSS, met klachten als nachtmerries, herbelevingen, slaapproblemen en een voortdurend gevoel van onveiligheid. Naar schatting hebben ruim 230.000 Nederlanders PTSS.
Terughoudendheid
Juist bij mensen met psychose bestaat al lange tijd terughoudendheid om traumatherapie aan te bieden. Zorgverleners vrezen dat het ophalen en verwerken van traumatische herinneringen psychoseklachten, zoals ernstige achterdocht en stemmen horen, kan verergeren. Mensen met psychose worden daardoor nog regelmatig uitgesloten van traumagerichte behandeling.
“We wilden daarom onderzoeken of die terughoudendheid terecht is”, zegt klinisch psycholoog en hoofdonderzoeker David van den Berg. Samen met collega’s volgde hij 162 mensen met PTSS en psychose. Naast hun gebruikelijke behandeling voor psychose kregen zij via loting exposuretherapie, EMDR of cognitieve therapie. Een vierde groep kreeg gedurende de onderzoeksperiode nog geen traumatherapie. “Zo konden we onderzoeken of deze behandelingen ook effectief zijn bij een groep voor wie traumatherapie lange tijd niet vanzelfsprekend was.”
Afname PTSS-klachten
Alle drie de behandelingen bleken effectief in het verminderen van PTSS-klachten en bijkomende problemen. Na afloop van de behandeling voldeed ongeveer de helft van de deelnemers niet langer aan de diagnostische criteria voor PTSS. In de controlegroep was dat 25 procent.
“Dat is een zeer opvallend verschil”, zegt Van den Berg. “We zien niet alleen dat de klachten afnemen, maar dat bij ongeveer de helft van de mensen die traumatherapie kregen de PTSS-diagnose na zes maanden niet meer van toepassing was.”
Ook andere problemen die samenhangen met trauma namen af. De deelnemers rapporteerden onder meer minder somberheid, dissociatie en negatieve gedachten over het trauma. De behandelingen hadden daarentegen geen duidelijk aantoonbaar effect op psychoseklachten zoals achterdocht en stemmen horen.
Ook effectief bij langdurige psychische problemen
De uitkomsten zijn opvallend omdat veel deelnemers al jarenlang ernstige psychische problemen hadden en gemiddeld ongeveer twintig jaar in behandeling waren. Toch profiteerden zij van een relatief kort behandeltraject. Het onderzoek bouwt voort op eerdere studies waarin al positieve resultaten werden gevonden voor exposuretherapie en EMDR bij mensen met psychose. Doordat de drie behandelmethoden nu binnen dezelfde onderzoeksopzet zijn onderzocht, ontstaat meer inzicht in de mogelijkheden voor deze doelgroep.
Volgens Van den Berg is de belangrijkste boodschap voor behandelaars dat mensen met psychose niet bij voorbaat uitgesloten moten worden van traumatherapie. “Deze behandelingen zijn effectief en veilig. Het onthouden ervan kan mensen juist tekort doen.” Omdat exposuretherapie, EMDR en cognitieve therapie allemaal effect hebben, vindt hij het belangrijk dat cliënten kunnen meebeslissen over welke behandeling het beste bij hen past.
Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoek dat de wetenschappelijke onderbouwing voor exposuretherapie en EMDR bij deze doelgroep momenteel sterker is dan voor cognitieve therapie. Het is daarom belangrijk dat zorgverleners samen met cliënten kijken welke behandeling het beste aansluit bij hun situatie.
Meer ruimte voor herstel
De resultaten ondersteunen een bredere inzet van traumabehandeling binnen de geestelijke gezondheidszorg. Daarmee kunnen meer mensen met psychose werken aan het verminderen van traumaklachten, het vergroten van hun kwaliteit van leven en hun herstel.
Het onderzoek, waaraan naast David van den Berg ook VU promovendi Simone Burger en Inez Verdaasdonk en projectleider Catherine van Zelst meewerkten, is gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Psychological Medicine.
