Een kind hecht oftewel bindt zich aan de ouders. Dit is een proces dat vooral in de eerste levensjaren van het kind plaatsvindt. Hechting ontstaat door wederzijdse reacties tussen het kind en de ouders (verzorgers) en leidt tot een duurzame affectieve (emotioneel, liefdevolle) relatie.  Dit hechten geeft een kind een veilig gevoel, een gevoel dat het kind weet dat er iemand is op wie ze kunnen terugvallen, iemand die van ze houdt.
Hechting is dus een zeer belangrijk onderdeel van de ontwikkeling en verdere ‘vorming’ van een kind.

Als hechten niet goed gaat

Soms gaat de hechting niet goed. Het kind heeft dat gevoel van veiligheid niet.  Dit wordt dan onveilige hechting genoemd. Daarin zijn 3 varianten te onderscheiden.

onveilig-vermijdend
De gehechtheid van het kind is minimaal. Het kind gedraagt zich zelfstandig, en probeert de ouder te negeren of te vermijden.
Deze vorm van hechtingsstoornis kan ontstaan als een kind:

  • vaak afgewezen wordt
  • vaak verwaarloosd wordt
  • veel verschillende opvoeders heeft.

onveilig-afwerend
Het kind zoekt heel veel toenadering bij de ouders. Het kind is niet tot nauwelijks zelfstandig. Als de ouder(s) weg zijn is het kind angstig. Komen de ouders terug dan reageert het kind boos en verontwaardigd.
Deze vorm van hechtingsstoornis kan ontstaan als een kind:

  • onvoldoende aandacht krijgt
  • niet op de goede momenten aandacht krijgt
  • ervaart dat de ouders erg onberekenbaar zijn.

gedesorganiseerd gehecht
Deze variant van een hechtingsstoornis is een combinatie van de vorige 2 hechtingsstoornissen. Aan de ene kant zoekt het kind toenadering tot de ouder, terwijl dat aan de andere kant tegelijkertijd stress en angst voor het kind oplevert.
Deze vorm van hechtingsstoornis kan ontstaan als een kind:

  • ervaart dat de ouders onvoorspelbaar zijn
  • ervaart dat de ouders inconsequent zijn.
  • Vaak spelen trauma’s of andere ingrijpende gebeurtenissen ook een rol. Daarbij moet gedacht worden aan:
    • mishandeling,
    • misbruik,
    • verwaarlozing,
    • dreigementen.

2 typen kind met een hechtingsstoornis

Er kan onderscheid gemaakt worden in kinderen met een hechtingsstoornis. Er zijn kinderen met een ongeremde hechting en geremde hechting.

Kenmerkend voor ongeremde hechting zijn zaken als:

  • Veel contact zoeken (allemansvriend)
  • Egocentrisch zijn. Stelt zichzelf centraal en weinig belangstelling voor de ander
  • Vriendschappen aangaan en onderhouden is moeilijk
  • Niet in staat zijn om relaties in stand te houden
  • Druk, ongeconcentreerd en impulsief. Dit zijn ook ADHD kenmerken. Eerst moet dit uitgesloten worden, voordat getest kan worden op een hechtingsstoornis.
  • Niet veel geleerd hebben van eerdere ervaringen
  • Snel boos en gefrustreerd raken,
  • Zich moeilijk laten troosten
  • Grensoverschrijdend gedrag

Kenmerkend voor geremde hechting zijn zaken als:

  • Sociaal contact afhouden (soms ook regelrecht afwijzen)
  • Samenspelen met andere kinderen, maar daar geen zichtbaar plezier aan beleven
  • Onzeker zijn
  • Teruggetrokken,  lusteloos, weinig tot geen emotie tonen (apatisch)
  • Niet huilen,  
  • Overdreven waakzaam zijn

Andere bijdragende factoren

Er zijn ook andere factoren die kunnen bijdragen aan het ontstaan van een hechtingsstoornis. Zo wordt vaker hechtingsstoornissen geconstateerd bij kinderen die

  • Uit gebroken gezinnen komen
  • Wisselende opvoeders hebben
  • Pleegkind zijn
  • Ook door de ouders kunnen er hechtingsproblemen bij een kind ontstaan. Dat kan bijvoorbeeld als de ouders 
  • Zelf hechtingsproblemen hebben
  • Vroeger zelf verwaarloosd  of mishandeld zijn
  • Psychische problemen hebben
  • Ook tienermoeders en moeders die een moeilijke zwangerschap hebben gehad blijken vaker een kind met hechtingsproblemen te hebben.
  • Ook de omgeving van het kind kan een rol spelen. Zo kunnen
  • Een slechte woonomgeving
  • Armoede
  • Het moeten vluchten vanwege oorlogsgeweld

Behandeling van hechtingsproblemen

Dit is niet makkelijk. De behandeling vraagt veel van het kind, van de ouders en van het gezin. De Jutters en Lucertis bieden hulp door ondermeer opvoedingsondersteuning.  Het beste kan daarvoor het thuis van het kind gebruikt worden. Dat is vaak een rustpunt voor het kind en voelt het zich daar veilig. De hulpverlener krijgt dan ook de gebruikelijke ouder-kind interactie te zien en kan daar de behandeling op afstemmen, zowel voor het kind als ook voor de ouders .