In Nederland vond de eerste grote deportatie van Joodse bewoners van een kliniek, ziekenhuis of zorginstelling plaats in Den Haag op 31 december 1942.

Anti-Joodse maatregelen

Op 10 mei 1940 begon de Duitse bezetting van Nederland. De bevolking kreeg al in het eerste oorlogsjaar te maken met anti-Joodse maatregelen. In augustus 1940 kreeg het College van Regenten van Stichting Rosenburg de opdracht een lijst te overleggen met namen van alle Joodse personeelsleden en van personeelsleden met een Joodse partner.

Vier personeelsleden meldden zich. Drie personeelsleden hadden Joodse voorouders van vaderszijde.

Deportatie van Joden

De deportaties van Joden begonnen in Den Haag in de zomer van 1942.

Medewerkers van de Joodse Raad in Den Haag vulden voor de Duitse bezetter kaartenbakken met kaartjes waarop zij nauwkeurig de namen en adressen van de Joden in Den Haag hadden geschreven. Aan de hand van de gegevens uit dit systeem gaven de Duitsers naamlijsten aan de Haagse politie, die de Joden thuis ophaalden en hen vervoerden naar het ‘Joodsch Tehuis’ aan de Paviljoensgracht 27a. De mensen verbleven daar enkele uren, maar soms ook dagen. Vervolgens werden zij naar Station Staatsspoor (thans Centraal Station) gebracht. Daarvandaan werden de meeste Joden via het doorgangskamp Westerbork naar concentratiekampen of vernietigingskampen in Duitsland en Polen gedeporteerd.

 
foto: Dienst Stedelijke Ontwikkeling, collectie: Gemeente Den Haag.
Voormalig Joods Tehuis Paviljoensgracht ca. 1984

Voormalig Joods Tehuis Paviljoensgracht ca. 1984 (foto: Dienst Stedelijke Ontwikkeling, collecti: Gemeente Den Haag)