In Nederland vond de eerste grote deportatie van Joodse bewoners van een kliniek, ziekenhuis of zorginstelling plaats in Den Haag op 31 december 1942.

Op deze dag grendelden leden van de Duitse Sicherheitsdienst, onder leiding van de Sturmbahnführer en fanatieke antisemitische Jodenjager Franz Fischer, ’s avonds laat het terrein af van Rosenburg. Zij namen daar 97 mensen gevangen. Dit waren vooral Joden afkomstig uit Oost-Europa, die uit angst voor de Duitse bezetter in de klinieken waren ondergedoken.

De gearresteerde Joden werden eerst naar de verzamelplaats aan de Paviljoensgracht 27a in Den Haag gebracht en daarvandaan via Station Staatsspoor gedeporteerd naar het doorvoerkamp Westerbork in Drenthe, waar zij op 2 januari 1943 arriveerden. De meesten verbleven ongeveer twee weken in Westerbork en werden vervolgens op 18 januari 1943 gedeporteerd naar het vernietigingskamp Auschwitz en daar op 21 januari 1943 vermoord.

Van de mensen die op 31 december 1942 uit de kliniek Oud-Rosenburg en de Ramaer-kliniek zijn gehaald overleefden slechts zeven de oorlog.

Station Staatsspoor omstreeks 1935 (collectie: Haags Gemeentearchief)

Station Staatsspoor omstreeks 1935 (collectie: Haags Gemeentearchief)