Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleven 251 Joodse patiënten en Joodse onderduikers voor korte of langere tijd bij Stichting Rosenburg  (in de Ramaer-kliniek en de kliniek Oud-Rosenburg) en bij  Stichting Bloemendaal. Van hen overleefden slechts 22 mensen de oorlog.

Poolse Joden en Joodse vluchtelingen

Vooral Poolse Joden en Joodse vluchtelingen uit Duitsland probeerden in 1942 een onderduikplaats te vinden. Zij mochten vanaf september 1940 niet meer in Den Haag wonen, maar het is bekend dat een aantal gezinnen toch in Den Haag is gebleven.

Bron: Haags Gemeentearchief

Onderbezetting Ramaer-kliniek

Al voor de oorlog kampte de Ramaer-kliniek met onderbezetting. Vooral daar hoopten vele Joden uit Den Haag een veilig onderkomen te vinden. Nadat de bewoners van het Israëlitisch Oude Mannen en Vrouwenhuis aan de Neuhuyskade eind oktober 1942 naar Amsterdam moesten verhuizen, zochten steeds meer Joden voor zichzelf, voor een zwakke verwant of voor hun bejaarde moeder of vader hun toevlucht tot Stichting Rosenburg met een verzoek tot plaatsing van hun verwant in de Ramaer-kliniek.

Ook andere Haagse instellingen zoals Stichting Bloemendaal, het Joodse weeshuis aan de Pletterijstraat 66 of het ziekenhuis aan de Zuidwal vingen op deze wijze Joodse onderduikers op.

Ondergedoken staat

Bij Rosenburg, en vooral in de Ramaer-kliniek, verbleven in het najaar van 1942 bijna tweehonderd Joden in een soort van semi-ondergedoken staat. Zij waren daar opgenomen op eigen initiatief of die van de familie. Voor hun verblijf betaalden zij ook.  Met goedvinden van de directie gingen zij voor patiënten door, hoewel hun adreswijziging niet was doorgegeven aan het bevolkingsregister van de gemeente Den Haag of aan de Joodse Raad.