Meer kans op overleven hadden de mensen die op de lijst-Frederiks of de lijst-Van Dam waren geplaatst. De eerste lijst was een door K.J. Frederiks, secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, opgestelde lijst van Joden die volgens hem een dusdanige betekenis voor Nederland of Duitsland hadden, dat zij niet gedeporteerd moesten worden.

Het criterium om op de lijst te komen, was dat men een ‘verdienstelijk’ Nederlander moest zijn, uit kringen van wetenschap en cultuur. De lijst-Van Dam was een soortgelijke lijst opgesteld door de nationaalsocialistische hoogleraar Duits Jan van Dam. In oktober 1941 drongen Frederiks en Van Dam bij Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart erop aan dat bepaalde groepen Joden vrijgesteld zouden worden van deportatie. Zo ontstonden twee lijsten, de lijst-Frederiks en de lijst-Van Dam. Het ging uiteindelijk om een groep van circa 650 Joden die in eerste instantie werden vrijgesteld van deportatie naar Westerbork. Later volgde nog een aanvulling op deze lijsten.

Een aantal Joodse onderduikers in de klinieken van de stichtingen Rosenburg en Bloemendaal stond op deze lijsten en heeft zo de oorlog overleefd. De meesten zijn echter snel na aankomst in Westerbork gedeporteerd naar de vernietigingskampen Auschwitz of Sobibor in Polen en daar vermoord.